Jan Rein Hettinga is een Nederlandse freelance cameraman die sinds 1994 werkzaam is in de industrie en nog altijd met dezelfde passie zijn werk doet. Op zijn blog deelt hij verhalen van achter de camera, zoals hij dat ook doen in elke editie van AV & Entertainment Magazine. In dit artikel blikt hij vanuit zijn eigen perspectief terug op de recente ontwikkelingen binnen de broadcastwereld.
In de jaren tachtig was Back to the Future absoluut mijn favoriete film. Ik moet het eerste deel wel twintig keer hebben gezien. Een DeLorean met een 2,21 gigawatt fluxcapacitor om door de tijd te reizen — ik zou er graag eentje hebben. Om nog één keer terug te gaan naar alle grote televisieproducties waar ik de afgelopen dertig jaar deel van heb uitgemaakt: de Tour de France, het UEFA Europees Kampioenschap, de Olympische Spelen, Formule 1, festivals, concerten, herdenkingen, de kroning van de Nederlandse koning en de prachtige reisprogramma’s waaraan ik als freelance cameraman heb mogen bijdragen. Achter elke productie schuilt een bijzonder verhaal, en ik zou het allemaal opnieuw doen met dezelfde passie en hetzelfde plezier.
Ik zou ook graag een paar jaar de toekomst in reizen, want naar mijn mening bevindt de broadcastwereld zich momenteel op een interessant, maar ook spannend kantelpunt. Technologische ontwikkelingen gaan razendsnel, en hoewel ik daar als cameraman nog niet veel van merk, ben ik ervan overtuigd dat dit de komende jaren gaat veranderen.
Kunstmatige intelligentie zal ook op het gebied van camerawerk een grote rol gaan spelen. Een collega stuurde mij onlangs een video waarin te zien was hoe ver Duitsland al is met AI-gestuurde camera’s bij voetbalwedstrijden. Een Grass Valley-camera op een Egripment remote head herkent zelfstandig de posities van spelers ten opzichte van de bal en volgt het spel zoals een hoofdcameraman dat normaal zou doen. Wat dit systeem bijzonder maakt, is dat het zichzelf heeft geleerd hoe het moet reageren en daardoor steeds beter wordt. Ook in studio’s worden cameraposities inmiddels al vervangen door robots. Als dit net zo betrouwbaar wordt als een menselijke operator én goedkoper is, zou het naïef zijn om te denken dat dit niet tot grote veranderingen in ons vak zal leiden.
Vorig jaar stond ik op een circuit in Nederland met een camera tussen het stof van rallyauto’s, terwijl de regisseur in Stockholm zat en de vision engineer in Oslo. Het was even wennen, maar het werkte, en de opdrachtgever kon flink besparen. Formule 1 werkt al jaren met remote production. Grote regiewagens op locatie zouden zomaar op hun retour kunnen zijn. Supersnelle glasvezelverbindingen en 5G maken het mogelijk om beeld, audio en data vrijwel zonder vertraging heen en weer te sturen. De vraag is niet langer óf dit model de Nederlandse markt gaat veroveren, maar wanneer. Wat we daarbij niet mogen verliezen, is de menselijke kant. Want na afloop van een remote productie kun je elkaar niet meer aankijken, een hand geven of samen een biertje drinken om het af te sluiten. Juist in die informele momenten ontstaat vertrouwen, evalueer je openhartig en leer je van elkaar. Technologie kan veel oplossen, maar dat niet.
Tijdens de Winterspelen in Milaan bediende ik in mijn eentje drie remote camera’s. Drie camera’s, één operator. Een flinke besparing voor de opdrachtgever, maar voor mij ook een wake-upcall. Want als ik drie camera’s tegelijk kan bedienen, hoeveel menselijk werk zal er de komende jaren dan verdwijnen?
Toch wil ik hier geen doemverhaal van maken. Technologie waarvoor vroeger een compleet team nodig was, past tegenwoordig in een rugzak. Producties die financieel nooit haalbaar waren, komen ineens binnen bereik. Goed nieuws dus voor cameramensen die bereid zijn zich aan te passen. De cameraman die relevant blijft, is niet degene die het hardst tegen verandering vecht, maar degene die begrijpt hoe remote production werkt, zich comfortabel voelt met PTZ-systemen en meerdere camera’s tegelijk kan aansturen zonder zijn belangrijkste talent te verliezen.
Want dát is wat robots en algoritmes voorlopig nog niet kunnen nabootsen. Een AI kan perfect een totaalshot kaderen of een buitenspelsituatie registreren, maar kijkt niet even buiten de viewfinder om en merkt niet dat een coach op het punt staat in woede uit te barsten. Cameramensen zijn verhalenvertellers, de ogen en oren van een regisseur die steeds vaker op grote afstand werkt. Je moet een generalist zijn, met een stevige technische basis, maar vooral met een scherp oog voor detail en gevoel voor het onverwachte. Die manier van verhalen vertellen met beelden blijft een ambacht. Het vak zal veranderen, maar niet verdwijnen. Er bestaan tenslotte nog steeds uitstekende schilders, ondanks dat we alles al jarenlang prachtig kunnen fotograferen.
Ik hoop daarom dat ontwikkelaars blijven luisteren naar specialisten die met beide benen in de praktijk staan. Een goede camera is niet simpelweg een rechthoekige computer met een allesziend oog — het is ook een gereedschap dat je op je schouder wilt leggen en intuïtief wilt gebruiken om mooie shots te blijven maken. Ergonomie, goede viewfinders en de mogelijkheid om een camera naar eigen voorkeur aan te passen, zullen ook in de toekomst van groot belang blijven.
Aan het einde van Back to the Future stijgt de DeLorean op en spreekt Doc Emmett Brown die legendarische woorden uit: “Roads? Where we’re going, we don’t need roads.” Het is de cliffhanger die de tweede film aankondigt. Ik zou graag instappen om zelf te zien wat de toekomst voor de broadcastwereld precies in petto heeft. Maar als die tijdmachine er nooit komt, zet ik gewoon de camera weer op mijn schouder en grijp ik elke kans aan om mezelf te blijven ontwikkelen. Ik beweeg graag mee met de tijd.











